
Het Nationaal centrum voor Familiegeschiedenis beschikt over een uitgebreide collectie kaarten allerhande. Hierna een fragment geput uit het studieboek "Speuren naar je voorouders" door Jan Vanderhaeghe, handelend over dit onderwerp. Het volledige boek kan besteld worden, zie daarvoor de rubriek "Onze Uitgaven" |
Naast de ontelbare geschreven bronnen, zoals bede-, cijns- en zetboeken, de vele leen- en tienderegisters die over onroerende goederen handelen, beschikken we ook nog over een niet te versmaden iconografische bron, namelijk de kaarten en plattegronden. Menige familievorser zal zich de vragen stellen: -waar juist woonden mijn voorouders ? -waren zij eigenaars van onroerend goed ? -waar was dat dan gelegen ? Derhalve zal hij geen enkele bron, hoe klein of beperkt ook, verwaarlozen. Daarom ook zal hij de documentatie die de cartografie hem biedt aanboren. KORTE HISTORIEK VAN DE CARTOGRAFIE Door cartografie verstaan we het aanschouwelijk voorstellen van gedeelten van het aardoppervlak, samengesteld uit gegevens door opmetingen verkregen. Het zijn de veldheren, later de ontdekkingsreizigers, die de eerste, soms heel rudimentaire, kaarten hebben getekend. Uit het Midden-Oosten, Egypte, Rome en het Pre-Colombisch Amerika is ons heel wat kaartenmateriaal bewaard gebleven. De tochten van Alexaner de Grote werden op kaart gebracht. De Griekse stadsplattegronden werden door de Romeinen overgenomen en bijgewerkt en deze laatsten maakten ook gedetailleerde wegenkaarten. In de Middeleeuwen sluimerde de nieuwsgierigheid van de mens voor het wereldbeeld in tot men in de 16e eeuw in de Nederlanden met verwoede ijver begonnen is met het maken van astrolaben en globen of hemel- en wereldbollen, en het tekenen van land- en zeekaarten. In die periode was immers de vraag naar zeekaarten in ongeziene mate toegenomen. De overzeese handel vroeg uitgebreider en nauwkeuriger kaarten. In onze gewesten was een behoefte ontstaan aan een naukeurige kennis van het grondbezit en aan een juiste afbakening van de landen. De opkomende boekdrukkunst bood de mogelijkheid hieraan te voldoen. In 1640 werd te Amsterdam de "Flandria Illustrata" van Antonius SANDERUS gedrukt en in 1649 van Willem Hanszoon BLAEU een stedenatlas in twee delen, het vermaard "Toneel der steden van 's Konings der Nederlanden met hare beschrijvingen". Zij zijn de navolging van het pionierswerk van VAN DEVENTER, weliswaar fraaier van uitzicht, maar wetenschappelijk van minder waarde. Na de werken van algemene aard door onze beroemde cartografen uitgegeven, geraakte het maken van aardrijkskundige kaarten in de Zuidelijke Nederlanden in de 17e eeuw in verval. We moeten wachten tot 1706 wanneer de Brusselse uitgever Eugène Henri FRICX zich begint toe te leggen op het drukken van kaarten. Hij bekwam daardoor een koninklijk octrooi en in 1709 de titel van "Imprimeur du Roy". Bij hem verschenen plattegronden van steden, een kaart van het Waasland in 1706 en een van Brabant. Van 1706 tot 1712 werkt hij aan een nieuwe kaart in 24 bladen van de Zuidelijke Nederlanden en de grensgebieden van Frakrijk. In de tweede helft van de 18e eeuw zijn het de kaarten van het Kabinet der Oostenrijkse Nederlanden die onze streken, steden en dorpen met een nauwkeurige perceling en tracé uitbeelden. Deze eerste militaire kaarten zijn beter gekend onder de kaarten van FERRARIS. Graaf Jozef de Ferraris, geboren te Lunéville op 20.08.1726 en gestorven te Wenen op 01.04.1814, was reeds zeer jong in dienst van het Hof van Oostenrijk en volgde er een militaire loopbaan. Hij onderscheidde zich vooral in de Zevenjarige Oorlog (1756-1763) en in de Veldslag van Hochkirchen. In 1761 bekwam hij de graad van Generaal-Majoor. In 1767 deze van Directeur-Generaal van de Nederlandse Artillerie en in 1773 werd hij bevorderd tot Luitenant-Generaal. Als krijgsman deed Ferraris onze vorstin Maria-Theresia het belang in- zien, zowel op militair, als op politiek vlak, om een nauwkeurige en gedetailleerde kaart van de Oostenrijkse Nederlanden te bezitten. Hij werd dan ook door haar met die opdracht belast en stelde de kaart op, volledig op het terrein opgenomen en met de hand getekend en gekleurd, op schaal van plus/minus 1:11.520. Ferraris heeft van 1771 tot 1778 aan dit reuzenwerk met een ploeg van 70 militaire landmeters gewerkt, die zich binnen deze korte termijn voorzeker beholpen hebben met de nog bestaande kaartboeken en documenten die in het bezit waren van de lokale instellingen en overheden. Deze laatsten moesten gidsen meesturen om aan de cartografen op het ter- rein nuttige aanduidingen te verschaffen. De kaart van het Kabinet bestaat uit 275 bladen van ongeveer 1,35 x 0,85 m. en omvat de Oostenrijkse Nederlanden, evenals de vorstendommen Luik en Stavelot. Twaalf bijhorende bundels geven een uitvoerige legende, geschiedkundige uitleg, geografische, economische, sociale en mili-taire gegevens. Een van de drie exemplaren die Ferraris heeft gemaakt wordt in de Koninklijke Bibliotheek, afdeling Kaarten en Plattegronden, bewaard. Dank zij het mecenaat van het Gemeentekrediet van België wordt deze kaart nu uitgegeven op verkleinde schaal 1:25.000. De kaart van Ferraris is, omwille van de nauwkeurigheid, het uitgangspunt van o.a. de evolutie van het landelijk landschap in België. KAARTEN EN PLATTEGRONDEN, KAARTATLASSEN, LANDBOEKEN OF TERRIERS Reeds in de late-Middeleeuwen achtten de Heren, de Kerkelijke en Caritatieve instellingen het nuttig om hun onroerende goederen te laten opmeten en tekenen. Het aanleggen van deze grondboeken was verbonden met een streven naar billijker verdeling van de beden en het localiseren van de tiendlanden. In deze oude land- of grondboeken werden niet alleen perceel per perceel de eigenaar, de gebruiker, de oppervlakte en de waarde opgetekend, maar soms ook de aard van het bodemgebruik en dikwijls zelfs de vorm, het toponiem, de kwaliteit en de wijze van afsluiting van elke kavel. Sommige van deze grondboeken of tiendatlassen zijn echte kunstwerken, miniaturen fraai met de hand op perkament getekend en gekleurd. Zij zijn een rijke bron van gegevens voor de familiegeschiedenis. Bij ervaring hebben wij kunnen vaststellen dat het uiterlijke landschap grotendeels onveranderd bleef van bij het begin der Moderne Tijden tot voor de Eerste Wereldoorlog. De kleinste schets kan het mogelijk maken een perceel of gebouw te situeren, vertrekkend van gekende monumenten of grote gebouwen die dan in die kaartboeken in perspectief getekend werden. Gekende landmeters en kaarttekenaars, die zulke kaartboeken hebben op- gemaakt, zijn voor onze streken: Van der Linden, J.D. Dekens, Breusegem Van Accolayen, Corneel Lowies, P.C. De Becker en generaties van Everaerts. Het is praktisch onmogelijk in dit korte bestek een algemene opsomming te geven van al dit kaartenmateriaal. Wie in een bepaalde streek of ge-meente zoekt, raadplege de inventarissen van de kaartencollecties in de daartoe in aanmerking komende archieven, a.d.z. de Rijksarchieven, het Archief van het Aartsbisdom Mechelen, van de kloosters en abdijen, van de C.O.O., nu de Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn (O.C.M.W.) als erfopvolgers van de godshuizen en begijnhoven, de gemeentehuizen en pastoriën.
KADASTRALE KAARTEN EN KADASTER Reeds in de Oudheid heeft het bezitten van onroerend goed aanleiding gegeven tot het heffen van belastingen. Na het Romeinse Rijk, dat in onze gewesten een fiscaal kadaster had op-gelegd, en de anarchie die daarop volgde, was het niet meer mogelijk om een cijnsregister bij te houden. Het kadaster en/of de belasting werd lokaal en bleef beperkt tussen de Heer ten opzichte van zijn va- zallen. Zoals we eerder melden lieten de Heren vanaf de 17e eeuw, en later de kerkelijke instellingen, kadastrale grondboeken opmaken met opgave van al hun bezittingen in onroerende goederen. Het is pas onder Napoleons'bewind dat het officiële kadaster in feite is gestart. De wet van 23 november 1790 schreef een grondbelasting voor volgens geschreven documenten en de Franse Assemblée Constituante beval, bij decreet van 16 en 23 september 1791, de instelling van een algemeen kadaster. Bij beschikking van 3 november 1802 moest men in sommige gemeenten over gaan tot het opmeten en het schatten van elk perceel. Deze operatie werd tot geheel ons grondgebied uitgebreid bij beschikking van 20 oktober 1803. De werkzaamheden begonnen in ons land in 1808, gingen door onder het Hollands Bewind en waren in 1843 beëindigd. Deze oude basiskaarten en leggers worden in de Rijksarchieven bewaard. Onder de auspiciën van Baron d'Huart, Minister van Financiën, begon Ph. Van der Maelen in 1836 met de publicatie van een kadastrale atlas van het Rijk. Deze uitgave beter gekend onder de benaming "Plannen Van der Maelen" bleef beperkt tot de meeste gemeenten van de provincie Brabant en werd gedrukt op schaal 1:5.000 met details op schaal 1:2.500. Bij elke plattegrond behoort een tabel met de nummers van de percelen, hun eigenaars en woonplaats, de aard en de inhoud van deze eigendom en het classificatienummer, dit alles onderverdeeld in secties. Omstreeks 1850, wanneer de opmetingsoperaties voltooid waren, nam Ph. Chr. Popp, gewezen controleur bij het Kadaster, het initiatief om een kadastrale atlas van België te publiceren, ten gerieve van de notarissen. De kadastrale plattegronden van deze atlas zijn op schaal 1:5.000 ge- drukt. De bijbehorende legger bevat: a) de Alphabetische Lyst der eygenaeren, vruchtgebruikers, erfpachters met verwijzing naer het cijfer der artikels waeronder hunne naemen, woonst en eigendommen op de legger voorkomen; b) de tabel met de nummers van de "perceelen op het cadastraal plan" en het nummer van het "Artikel van de Alphabetische Lyst of legger"; c) de lijst met de aanduiding van "sectie en nummer der perceelen" verwijzend "naer de cadastrale plans, soort der eygendommen, inhoudsgrootte van ieder perceel, classering, belastbaar inkomen van ieder ongebouwd of gebouwd perceel", onder elke artikelnummer met naam, be- roep en verblijfplaats van de eigenaar; d) een tarief der zuivere begrotingen van ieder soort klasse van de vaste eigendommen in de gemeente, zoals dezelve, ten gevolge der kadastrale schatting, bij besluit van den Goeverneur der Provincie, zijn vastgesteld. Medio de 19e eeuw werden ook wegen- en waterloopatlassen aangelegd. Zij vormen zeer dikwijls de schakels tussen de plannen van Van der Maelen (1836) en Popp (1866). BESLUIT Met behulp van al dit kaartenmateriaal, zoals kadastrale plattegronden, figuratieve kaarten, grondatlassen, atlassen van buurt- en waterwegen, schetsen bij notariële akten, zal de stamboomvorser, met wat geluk, de onroerende goederen van zijn voorouders kunnen opsporen. Hij zal opklimmend van het huidige kadaster tot in de kaartboeken van de 18e eeuw de evolutie, de mutaties, de verkaveling van elk perceel meemaken. Hij zal de bouw, de verbouwing, het slopen van elk gebouw in tijd en ruimte kunnen reconstrueren. Hij zal zijn familiegeschiedenis, waar het kan, iconografisch kunnen illustreren.